Met een groepje mensen zat ik te praten. Het groepje bestond uit mannen en vrouwen uit diverse leeftijdsgroepen. We hadden zo op het eerste gezicht weinig gemeen. Wat we wél gemeen hadden, was dat ieder van ons met psychische problemen kampte. En wel op zodanige manier dat iedereen ‘even was opgenomen’. Omdat ik mezelf enorm schaamde voor dit feit en ik schaamte een interessant onderwerp vind binnen de GGZ, vroeg ik aan hen of zij die gevoelens herkenden. Ik schrok van de reacties, al was het toch niet geheel onverwacht: ze schaamden zich net zo als ik. En in één geval bleek de schaamte nóg erger dan bij mij het geval was. Deze persoon zorgde er elke dag voor dat zijn auto door een kennis ’s ochtends werd weggereden en ’s avonds weer voor het huis werd geparkeerd. Zo leek het dat hij gewoon werkte en voorkwam hij mogelijke roddels in de buurt.

Omdat ik eerder over schaamte onder patiënten in de gespecialiseerde GGZ schreef, besloot ik eens een hulpverlener te vragen: wat merken zij van schaamte bij cliënten? Merken zij het überhaupt op, en doen zij er vervolgens iets mee? Ik werd doorverwezen naar Lieke ten Have- Visser, een SPV’er (sociaal psychiatrisch verpleegkundige) bij het IHT. Zij deed mee aan een onderzoek naar stigma en richtte zich binnen het onderzoek specifiek op zelfstigma bij mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen en de interventies die hulpverleners vervolgens kunnen inzetten om het zelfstigma te verminderen. Zij geeft antwoord op o.a. de volgende vragen: wordt er specifiek naar schaamte gevraagd? Wordt schaamte wel geuit door patiënten? Wat is er uit het onderzoek gekomen? Tot slot geeft Lieke een aantal verbeterpunten van hulpverleners vóór hulpverleners m.b.t. schaamte en stigma.

Schaamte
Vragen of iemand zich schaamt, is niet specifiek in het onderzoek aan bod gekomen. Ik verwacht eigenlijk dat het niet frequent gebeurt, opmakend uit het feit dat er dus weinig bewustzijn is rondom het begrip zelfstigma. Persoonlijk vraag ik regelmatig of mensen zich schamen. Het onderzoek heeft mij geholpen om dit meer te doen, omdat ik mij meer bewust werd van stigma in welke vorm dan ook. Hoe ik dat doe, is door hier direct naar te vragen of er op in te gaan wanneer mensen zelf al direct of indirect benoemen dat ze zich schamen.

Veelal laat ik ze eerst vertellen over hun schaamte, waarna ik vervolgens het schaamtegevoel probeer te relativeren of te ontkrachten. Dit doe ik door mensen een andere visie voor te houden, te vragen naar kwaliteiten en mijn complimenten uit te spreken. Ik probeer ze dus gerust te stellen, maar ze ook weer in hun eigen kracht te zetten. Schaamte wordt mijns inziens dus wel geuit, maar alleen wanneer je er als hulpverlener aandacht voor hebt en mensen ook de tijd en ruimte geeft om over de schaamte te vertellen. Dit lukt alleen niet altijd door bijvoorbeeld een hoge werkdruk. Daarbij komt dat hulpverleners zelf ook behoorlijk stigmatiseren, ook wel iatrogeen stigma genoemd.  

Uitkomsten onderzoek
Het onderzoek richtte zich onder andere op zelfstigma en (zelf)stigma bestrijdende interventies. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat hulpverleners zelfstigma herkennen aan de hand van de volgende punten: verminderd zelfvertrouwen, selffulfilling prophecy, depressie, ongunstig ziektebeloop, terugtrekken uit sociaal contact, afname van maatschappelijke participatie, vrijwel alleen contact met psychiatrisch patiënten; verminderde zelfontplooiing; niet naar buiten durven; uitblijven van herstel; kloof tussen de patiënt en de maatschappij en toename van bestaande psychische klachten. Het merendeel van de hulpverleners bekent te weinig oog te hebben voor zelfstigma, of er pas bewust van te worden wanneer de persoon het zelf benoemt of wanneer het inmiddels meer dan overduidelijk is. Maar er waren ook hulpverleners die aangaven wél oog te hebben voor zelfstigma, omdat ze er een herstelgerichte werkwijze op na houden.

Verbeterpunten voor hulpverleners
Als laatste wil ik graag benoemen dat de ondervraagde hulpverleners zelf ook enkele verbeterpunten formuleerden m.b.t. zelfstigma binnen de behandeling.

  • Meer aandacht voor zelfstigma in de behandeling.
  • Meer tijd voor zelfstigma bestrijdende interventies in de behandeling.
  • Zelfstigma meer onder de aandacht brengen in het team.
  • Zelfstigma meer bespreken in het contact met patiënten.
  • Zelfstigma terug laten komen in de behandelplanbesprekingen. 
  • Kennis vergroten omtrent zelfstigma en- bestrijdende interventies.
  • Meer toepassen van Evidence Based Practice (EBP)

Lieke, dank je wel voor je bijdrage!