De psychiater, één van de weinigen in zijn land, leidt ons door groezelige gangen van het vervallen gebouw. De diepe scheuren in de kale, grijskleurige stenen muren van dit gebouw staan symbool voor de grote financiële armoede van het land. Waar het gebouw me van buitenaf vooral doet denken aan een Middeleeuwse gevangenis, ziet de binnenkant er meer uit als een gangbaar psychiatrisch ziekenhuis. Ik herken een kleine wachtkamer, waar, op versleten houten bankjes, tientallen mensen dicht opeen vertoeven, wachtend op hun arts. Bij het passeren van de wachtkamer volgen vele verwonderde bruine ogen elke stap die we zetten. Het zal niet elke dag voorkomen dat het straatarme Nepalese volk in deze setting en in dit gebied twee niet-inheemse mensen langs ziet komen…

We lopen een nieuwe gang met een zestal gesloten deuren in en banen ons met moeite een weg langs een onrustige mensenmassa die blijkbaar uren wachten moet op zorg. 

We zien een jongen, hoogstens vijftien jaar oud, die ons met verdrietige en angstige ogen gadeslaat. Ik kan moeilijk wegkijken van de grote littekens in zijn gezicht: een pijnlijke herinnering aan een duivelsuitdrijving, die de psychiatrische klachten van de jongen niet deed verminderen. Vanwege het universele stigma op psychiatrische klachten zullen patiënten, ook hier, immers niet snel medische zorg zoeken – zeker niet voordat zij een lokale sjamaan geraadpleegd hebben. 

Zonder aarzeling opent de psychiater die ons rondleidt één voor één de deuren. Zelfs achter de gesloten deuren ontvouwt zich onverwachts een mensenmassa. Zodra de deur geopend wordt werpen de arts, de patiënt en diens hele familie kort een blik op ons, alvorens ze verder gaan met hun gesprek. We mogen alles zien en horen. De patiënt moet wachten als wij vragen hebben. Privacy is het laatste waar men zich hier om bekommert. De status van een arts is er één waar eerbiedig mee omgegaan moet worden, soms ten koste van anderen. Met een enigszins ongemakkelijk gevoel sluiten we deze deuren achter ons. 

We lopen, langs de isoleercellen, richting de kliniek. Ik huiver als ik terloops een isoleercel inkijk. Hier worden de patiënten, die niet meer goed begeleid of verpleegd kunnen worden, naartoe gebracht. Deze patiënten moeten op een harde, koude, stenen vloer liggen of worden op een sjofel fixatiebed vastgeketend. Er is één klein vierkant luikje waar patiënten door naar buiten kunnen kijken. Voor ons voelt het alsof we terug gegaan zijn in de tijd. Vlug lopen we door…

De kliniek bestaat uit een ruimte zo groot als een gemiddeld Nederlands klaslokaal. De ruim veertig patiëntbedden staan opeengepakt naast elkaar, zodanig dat mensen niet hun bed uit kunnen stappen zonder de patiënt in het bed naast hen aan te raken. Het is donker en vies. We zien mannen, vrouwen, jonge kinderen, bejaarden - alles door elkaar. Psychiaters hier kunnen zich niet permitteren om zich te subspecialiseren tot een bepaalde doel- of leeftijdsgroep en behandelen dus iedereen. Het verschil met de relatief luxe zorg die wij in Nederland kunnen bieden wordt ook hiermee schrijnend zichtbaar.

Samen met mijn medereizigster – collega en vriendin – verlaten we de kliniek en volgen we de psychiater naar het uitgestrekte binnenplein van het psychiatrisch ziekenhuis. De zon schijnt fel. Een zacht briesje zorgt voor een aangename vlaag van koelte. Ik volg met mijn ogen de hoge bomen die het binnenplein omringen. Ik zie de blaadjes zachtjes ritselen. Hier, buiten, voelt het vredig. Ook enkele patiënten zoeken deze kalmte op, terwijl ze zich bij elkaar scharen in de schaduw van de bomen. 

We zijn klaar om te vertrekken. Eén van de patiënten loopt langzaam onze richting op. Met een zachtaardige uitdrukking op haar gezicht kijkt ze ons aan. Ze zegt iets wat we niet verstaan. Ze lijkt psychotisch te zijn. Liefdevol pakt ze onze handen vast. Ze laat niet meer los... 

Hand in hand lopen wij, met de zon in ons gezicht, richting de uitgang van het ziekenhuis: arts, verpleegkundige, patiënt, zij aan zij... De psychiater loopt alleen voorop. Hij glimlacht als hij naar ons omkijkt. 

Nederlands en Nepalees... Psychiatrie houdt niet op aan de Nederlandse grens. We spreken alle drie de grenzeloze taal van de psychiatrie. Een taal die iedereen kan spreken. De taal van verbinden wanneer iemand lijdt. Want dat is wat het is en blijft, ook wanneer onze handen elkaar, uiteindelijk, weer loslaten.