Konden we eerder nog lachen om uitspraken als: ‘Hé gevaarlijke gek, ga je mee naar de stad?’,  Is het nu geworden: ‘Ga je mee naar de stad, of is dat te veel voor je?’ Ik moet zeggen dat ik de eerste vraag veel fijner én rock-and-roller vond klinken. We zagen het namelijk zo: we zijn getrouwd in voor- én tegenspoed en dit ‘tegenspoedje’, ook bekend als: mijn depressie, dat zouden wij makkelijk doorstaan. Maar zo makkelijk gaat het de laatste tijd helaas niet meer. Drie jaar tegenspoed is lang. Lang voor mij, lang voor hem, lang voor iedereen om ons heen. En ik zou hem zó veel anders gunnen dan een labiele vrouw die bijna altijd somber is en die óók nog af en toe iets te veel pillen slikt, of wegloopt van huis, om maar weg te zijn van álles. Dat gun ik hem niet. Dat labiele gedrag is niet fijn voor een partner, voor een gezin, voor mezelf, voor de continuïteit van ons huishouden, voor de vrienden die we hebben en het stimuleert ons seksleven ook niet bepaald. Maar dat laatste is misschien iets té veel informatie. Maar eerlijk: er gaat veel stuk aan psychische problematiek.

‘Hoe gaat het?’ In het begin van mijn ineenstorting draaide álles om mij. Ik moest hulp. Ik moest gesprekken. Ik moest medicatie. Ik moest opgenomen worden. Kortom: alle aandacht ging naar mij. Áls er al eens aan mijn man gevraagd werd, of hij het trok, was hij vol optimisme: ‘Ja hoor, natuurlijk is het even wat harder werken, maar het is goed vol te houden.’ Inmiddels is het omgedraaid: iedereen wéét dat het slecht met mij gaat, dus worden de ‘hoe-gaat-hets’ alleen nog aan hem gesteld. De mensen kijken dan ook heel zorgelijk en draaien hun hoofd wat schuiner: red jíj het allemaal nog wel? En ik hoorde laatst een antwoord dat ik absoluut niet wilde horen. Ik hoorde hem zeggen dat het zwaar was, te zwaar misschien wel. Dat hij niet wist of hij het nog langer trok dit. Ik voelde me machteloos en schuldig. Want hoewel ik het liefst tegen mezelf zou zeggen: en nú doe je even normaal, want je man gaat eraan onderdoor, wist ik ook wel dat dat niet ging werken. Als ik ‘normaal’ had kunnen doen, dan had ik dat waarschijnlijk allang gedaan.

We zijn nu samen op een punt gekomen dat niet prettig is. Ronduit ellendig dekt eigenlijk meer de lading. Dat wat ik bespreek met professionals over bijvoorbeeld naar huis gaan, moet eerst ‘geaccordeerd worden door uw man’. Ik ben de regie blijkbaar kwijt, ik word gezien als iemand die inmiddels afhankelijk is van haar man. En soms vind ik dat heerlijk hoor, bijvoorbeeld tijdens een stedentrip en ik geen enkel idee heb van richting en metro’s en hij wél.  Maar nu vind ik het vooral herstel ondermijnend dat de afspraken die ík met behandelaars maak, eerst nog even langs mijn man moeten. Hij is nu eenmaal een ‘naastbetrokkene’. En hoewel ik het betrekken van naasten in élk ander geval zou stimuleren, vind ik het in mijn geval vreselijk. Mijn man die ‘oké’ moet zeggen op afspraken die ík maak. Ik word er zelfs boos en recalcitrant van.

Maar nu gaat het wéér over mij en niet over mijn naaste. En dat is misschien wel tekenend voor dit onderwerp. De aandacht gaat steeds weer naar de patiënt en de naasten hobbelen een beetje mee. Mijn man wil, als naastbetrokkene, overal van op de hoogte zijn. En dat gebeurt –soms tegen mijn zin in- wel.

Dus weer terug naar mijn naaste: mijn man die er regelmatig alleen voorstaat, omdat het mij niet lukt, hij moet dan zijn werk, kinderen, huishouden én een labiele vrouw in zijn eentje zien te ‘handelen’. En dat is zwaar. Zeker als de situatie maar zo blijft doormodderen. Ik vind het knap dat hij het doet en hóe hij het doet. Het enige wat we nu doen is hopen dat het met mij steeds beter gaat en ik straks weer wat zorgen uit zijn handen kan overnemen.

Want het valt niet mee: naastbetrokkenen zijn van iemand met psychische problemen. Dat zie ik, als patiënt, ook echt wel in.