“Ik ga je missen,” zeg ik tegen mijn persoonlijk begeleider, die drie weken op vakantie gaat. “Ik jullie ook,” antwoord mijn persoonlijk begeleider (PB-er). Ik rol bijna van mijn stoel van verbazing. Een hulpverlener die zegt dat hij me ook gaat missen?!

Een week of wat later ben ik bij mijn behandelaar. Ook zij gaat met vakantie. Hetzelfde zeg ik tegen haar: “Ik ga je missen.” Ik meen het oprecht. Deze fantastische mensen ga ik werkelijk missen. “Ik ga jou ook missen,” krijg ik als antwoord. 

Ik krijg een vervangende PB-er. Verpleegkundige A. Verpleegkundige A is een geweldige grapjas. Altijd in voor een grapje. Maar dit keer is hij aan de beurt om in de maling genomen te worden. Iedere cliënt heeft twee PB-ers. Samen met PB-er B die nog niet op vakantie is, verzinnen we hoe we A beet kunnen nemen. 

Het begint als volgt. B stuurt A een mail waarin een overdracht staat. Daarin vermeldt ze dat tijdens PB-gesprekken altijd mijn kamer helemaal wordt gecontroleerd op spinnen, torretjes en beestjes. Ook typt ze erin dat het omgaan met enge beestjes nog een exposure-oefening wordt als ik gesprekken heb met mijn behandelaar. 

Nou, helemaal niet waar natuurlijk. Heel eerlijk, ik ben wel wat bang voor beestjes, en ik ben ook nog zo iemand die er een verpleegkundige bij haalt als er eentje in mijn kamer zit, maar dat mijn kamer helemaal gecontroleerd moet worden...

Maar zo’n grapjas als A is, zo serieus is hij ook. Het is avond als ik een PB-gesprek heb. Ik benoem dat ik al dagen last van onbestemde spanning heb. Waarschijnlijk als gevolg van de afbouw van antidepressiva. A haakt er even op in. We bespreken nog wat andere dingen. Totdat ook die punten besproken zijn. “Kan ik verder nog wat voor je doen?” vraagt A. “Ja, mijn kamer even controleren,” antwoord ik. Ik kijk A bewust niet aan, ik moet al moeite doen om serieus te zijn. “Ja, dat heb ik gelezen,” antwoordt A. Ik moet bijna lachen maar houd me in. “Ik wacht wel even op de gang,” zeg ik, en ik loop naar de gang. Deur dicht en ik loop wat verder de gang in. Ik moet hardop lachen, maar zo goed en zo kwaad als dat lukt onderdruk ik dat. 

Het duurt maar en het duurt maar. Die A is wel heel goed aan het controleren, denk ik. Of er zitten heel veel beestjes. Na een tijdje roep ik door de deur: “Lukt het?” A komt de deur uit lopen. “Ik zie niks zitten en niks lopen,” zegt hij. “Alleen ligt er veel stof onder het bed.” Dat kan kloppen. Er is toch niemand die dat ziet, behalve nu dan even. Maar ik ben daar vrij makkelijk in. 

Nadat A weg is, mail ik hardop lachend mijn PB-er dat de grap goed gelukt is. 

Een week later laat ik verpleegkundige A nogmaals mijn kamer controleren. Het valt hem op dat het stof onder mijn bed weg is. “Ja, ik heb gestofzuigd,” reageer ik. Ik heb dikke lol, hij heeft dus zelfs weer onder mijn bed gekeken.

De groep en de andere verpleging genieten mee met de grap. Iedereen wacht vol spanning totdat we het A vertellen. Hij hoort het van mijn PB-er die weer terug is gekomen van vakantie. Daarna kom ik A tegen op de groep. Een brede grijns van hem en ik schiet in de lach. Hij kan de grap waarderen en lacht hartelijk mee. Maar we kunnen natuurlijk wat terug verwachten. 

Langzaam maar zeker wordt alles weer gewoon. Behandelaars en de meeste verpleegkundigen en vaktherapeuten hebben hun vakantie erop zitten. Ik ben blij dat ze weer terug zijn. De structuur in mijn week komt hiermee ook weer wat terug. De houvast die ik heb aan verpleegkundigen, is nodig voor mij, om zo de dagen goed door te komen. 

“Ik vind dat je wat minder vlak bent in je gezicht,” zegt een therapeut tegen me tijdens een therapie-sessie. “Dat is al de derde keer dat ik dat hoor,” zeg ik. “Waarschijnlijk doordat ik geen antidepressiva meer inneem.” “De derde keer?” schrikt de therapeut, “dat je dat van mij hoort?” Ik haast me om te zeggen dat ik het van verschillende mensen heb gehoord. 

Sinds ik afgebouwd ben met de antidepressiva heb ik elke dag nog last van onbestemde spanning. Nog even een paar weken aankijken. Hopelijk trekt de spanning wat weg. 

Het helpt wel dat er weer wat meer structuur is op de afdeling. Het is lastig dat de spanning onbestemd is, de verpleging kan niet veel meer doen dan luisteren, omdat er niet echt een reden is voor de spanning. Maar het is al zo fijn dat verpleging voor me klaar staat. Die spanning is behoorlijk vervelend, maar ik zit op een plek waar liefdevolle aandacht is. Waar de spanning er mag zijn. Waar ik een compliment krijg als ik door de spanning eerder weg ga bij een planningsmoment. Waar ik verpleging aan hun jasje mag trekken als ik wat nodig heb. Waar ze alles voor me willen doen. Als het moet dus zelfs mijn kamer controleren op enge beestjes... 

 

Artikeldatum